Categorieën
WoordHoek

Tuig van de richel

Volgens Geert Wilders zijn journalisten, op een enkele uitzondering na, tuig van de richel. Waar komt die uitdrukking vandaan?

De herkomst is niet met zekerheid bekend. De uitdrukking kwam oorspronkelijk in drie varianten voor: vee, tuig en volk van de richel.

Vee van de richel is in 1790 voor het eerst aangetroffen, in een klucht van A. Loosjes:

Als ik ze krijg, dan zel ik ze mijn juk tusschen hals en nek leggen… dat vee van de richel.

Tuig van de richel is in 1856 voor het eerst opgetekend, in het tijdschrift De Gids. Het staat in een verklarende woordenlijst, bij het Engelse woord trash. Volk van de richel is in 1861 voor het eerst aangetroffen, in een spreekwoordenboek, zonder nadere verklaring.

Tuig van de richel. Illustratie uit Toen ik nog jong was (1901) van Justus van Maurik.

Vee, tuig en volk

Vee, tuig en volk drukken hier hetzelfde uit, namelijk ‘gajes’ of ‘gespuis’. De vraag is dus waar de toevoeging van de richel vandaan komt.

De leukste verklaring is te vinden bij Justus van Maurik, een van de voornaamste chroniqueurs van het Amsterdamse volksleven uit de tweede helft van de 19de eeuw. Van Maurik gebruikte de uitdrukking vee van de richel voor het eerst in Amsterdam bij dag en nacht, gepubliceerd in 1890. Hierin beschrijft hij een stoeipartij voor een zogenaamde Jan Plezier, een koets met plaats voor vijftien personen. Een oude man roept: “Opzij, vee van de richel! Eerst mot de ouderdom er in.”

In 1901 gebruikte Van Maurik de uitdrukking nogmaals in zijn (prachtige) memoires Toen ik nog jong was. Hierin haalt hij onder meer een herinnering op aan een bezoek dat hij in 1862 aan de schouwburg in Amsterdam bracht. Over het volk ‘In den Engelenbak’, dat zich doorlopend misdraagt, schrijft hij: “Nergens bleef een plaats onbezet; zelfs op ‘de richel’ zat men mannetje aan mannetje.”

In een voetnoot geeft Van Maurik hierbij de volgende verklaring:

De Richel was een smal bankje, achter tegen den schuinen wand van de kap aangebracht. Men kon daar zoowat zitten, maar niets zien van ’t geen op het tooneel gebeurde; daarom moesten zij, die daar plaatsen hadden, gedurende de voorstelling staan, of leunen op de ruggen van de menschen, vóór hen. Nu nóg noemt men in Amsterdam het minste soort menschen: ’t Vee van den Richel.

Er zijn concurrerende verklaringen. Zo menen sommigen dat met richel een houten bankje in het armenhuis werd bedoeld. Of een balk of plank in de koestal waarop het vee met de achterpoten staat. Zeker is welke functie van de richel in de uitdrukking vervult: het gaat om een verlenging en versterking achter vee, tuig of volk, met als betekenis: gespuis van het ergste soort. Vroeger zei men – met een verwijzing naar de Bijbelse figuur Laban – soms ook vee van Laban of tuig van Laban, maar dat hoor of lees je zelden meer.

Dit is de laatste aflevering van WoordHoek voor de zomervakantie. Begin september wordt de rubriek vervolgd.