Categorieën
WoordHoek

Gaschantage en gasflatie

De crisis met de gasprijzen brengt woorden in beeld als gaschantage en gasflatie.

Een van de interessante aspecten van het Nederlands vind ik dat woorden nieuwe, onverwachte verbindingen met elkaar kunnen aangaan. In mijn verbeelding vliegen ze normaal gesproken los van elkaar door de lucht. Maar opeens verandert er iets – er doet zich bijvoorbeeld een crisis voor. Gevolg: die losstaande woorden botsen op elkaar en gaan een samenwerking aan. Soms slechts tijdelijk, soms voor lange tijd.

Rolschaatsers en fietsers op een autovrije straat in Amsterdam (1973)

Neem de woorden gas en chantage. Het woord gas kennen we al sinds halverwege de zeventiende eeuw. Het is verzonnen door de Vlaamse arts, filosoof en scheikundige Jan Baptista van Helmont (1579-1644) en heeft een interessante geschiedenis, net als het woord chantage. Dat is afgeleid van het Franse werkwoord chanter (‘zingen’). Het idee was dat de afperser ‘iemand liet zingen’, dat wil zeggen: hij dreigde iets geheims openbaar te maken. In de betekenis ‘afpersing’ kennen we chantage sinds de tweede helft van de negentiende eeuw.

Tot vorige week had ik de combinatie gaschantage nooit gehoord. Het woord dook op in verontrustende berichten over de stijgende gasprijzen. Dat die prijzen zo snel stijgen, zou (deels) komen doordat Rusland de gaskraan onvoldoende openzet. Zij zouden de boel daarmee chanteren – vandaar gaschantage.

Een van de andere interessante aspecten van het Nederlands vind ik dat woorden bijna altijd ouder blijken te zijn dan ik weet. Dat geldt ook voor gaschantage. Ik hoorde en las het zelf vorige week voor het eerst, maar het blijkt wel degelijk eerder te zijn gebruikt. Zo kopte De Telegraaf in 1973 “Gaschantage bedreigt het Britse volk”. Het Nieuwsblad van het Noorden had in 1982 als kop “Nederland kan Russische gaschantage niet opvangen”. En in 2007 meldde de Volkskrant:

Twee kandidaten voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen, de Republikein John McCain en Joe Biden, de Democratische voorzitter van de senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken, hebben Bush op de vingers getikt vanwege zijn onvermogen om de landen bij elkaar te krijgen die te lijden hebben van de Russische olie- en gaschantage.

Oliechantage

Ha, het woord gaschantage blijkt een voorouder te hebben, namelijk oliechantage. Ook dat woord had ik niet opgeslagen, maar ik kan me er meteen van alles bij voorstellen, want als tiener maakte ik in 1973 en 1974 de autoloze zondagen mee. Nederland steunde Israël toen in een oorlog tegen Arabische buurlanden; Arabische oliestaten straften Nederland met een olieboycot. Om de olievoorraden niet te snel uit te putten, mocht er op enkele zondagen niet met de auto worden gereden. Gevolg: veel fietsende en rolschaatsende kinderen op de snelwegen. Voor velen – ook voor mij – was dit een onvergetelijke ervaring.

Gasflatie

Je zou kunnen zeggen dat er bij het woord gaschantage sprake is van een zachte botsing tussen twee woorden: zonder schade gaan ze als koppel verder. Dat is niet het geval bij gasflatie, een woord dat vorige week opeens in de media opdook. Bij deze aanvaring is inflatie een paar letters kwijt geraakt. Je noemt zo’n woordcombinatie een blend of mixwoord. In dit geval gaat het om de vertaling van het Engelse gasflation. De betekenis zal duidelijk zijn: inflatie als gevolg van een structureel hogere prijs van aardgas. Het is natuurlijk te hopen dat we hier nu niet werkelijk mee te maken hebben.